De praktijkopleiding tot privé-piloot
Men zegt wel eens dat iedereen die heeft leren fietsen, ook kan leren vliegen.
En het is nog waar ook! Er mag alleen niet vergeten worden dat sommigen gemakkelijker
hebben leren fietsen dan anderen, en dat hoe ouder men wordt, hoe meer tijd men nodig
heeft om het te leren. Dus, hoe jonger, hoe beter. Dit belet niet dat in de Royal Antwerp
Aviation Club er leden vliegen die ermee begonnen zijn na hun vijftigste verjaardag.
Iedereen kan bij wijze van kennismaking een instructievlucht uitvoeren met een bevoegd instructeur.
Dit kan ook zonder dat men in het bezit is van een vliegvergunning.
Eenmaal de oefenvergunning op zak, kan het echte werk beginnen, inclusief de vluchten waar
men alleen aan boord is, weliswaar steeds onder toezicht van de instructeur.
Een instructeur moet een bevoegdverklaring hebben van bet Directoraat-Generaal Luchtvaart
en hij verkrijgt die slechts na bet afleggen van meer gevorderde theorie- en praktijkexamens.
Bovendien moet hij erkend en aanvaard worden door de RAAC.
De eerste fase van de opleiding gebeurt in dubbelbesturing, dit wil zeggen met de instructeur
aan boord. Men ontdekt en leert de werking van de roeren, de gebruikslimieten van het vliegtuig,
het opstijgen en het landen. Na ongeveer 15 uur, voor sommigen minder, voor anderen meer,
vliegt de leerling voor de allereerste keer alleen aan boord, weliswaar onder de verantwoordelijkheid
van de instructeur. Men noemt dit de eerste solovlucht. Het is een korte vlucht, maar voor
iedereen een onvergetelijke gebeurtenis.
Na die eerste korte vlucht worden de solovluchten langer.
Na enkele uren wordt dan begonnen met de zogenaamde overlandvluchten.
Dit zijn vluchten buiten de vertrouwde omgeving van de luchthaven.
Men leert zich verplaatsen van het ene vliegveld naar het andere.
Het is een toepassing van wat men in de theoriecursus heeft geleerd.
Op tijd en stond wordt er ook alleen aan boord naar een vreemd vliegveld gevlogen.
Ondertussen wordt ook geoefend in het vliegen aan lage snelheid, het vliegen van
bepaalde figuren die moeten gekend zijn voor het praktijkexamen en het
verhelpen van noodgevallen die zich kunnen voordoen in vlucht.
Ook een minimum opleiding in instrumentvliegen is voorzien, die bestaat uit een 5-tal uren
in de vluchtnabootser en een vijftal uren oefening in het vliegtuig.
Deze basiskennis van blindvliegen dient om je uit de slag te kunnen trekken mocht je
onverwachts in slecht weer terechtkomen.
Het praktijkexamen wordt afgelegd met een examinator aangeduid door het Directoraat-Generaal Luchtvaart.
Het bestaat uit het uitvoeren van de aangeleerde oefeningen binnen bepaalde grenzen van precisie.
Het praktijkexamen mag slechts afgelegd worden na het slagen in het theorie-examen en een
vliegopleiding van minimum 45 uren.
Mensen die reeds ervaring hebben als piloot van een helikopter, een zweefvliegtuig of een ULM
kunnen daarvan maximaal 10 uur in rekening brengen.
|